Vandaag, 8 december, viert de boeddhistische wereld de Verlichting van Siddharta Gautama onder de bodhiboom, de ficus religiosa. Het verhaal 1 gaat als volgt.

 

Siddhartha voelde zich gesterkt. De energie in zijn lichaam groeide aan gelijk het wassende water van een gezwollen bergstroom, en met krachtige stappen liep hij naar de boom, waaronder hij het Licht zou zien doorbreken.

Van een man, die bezig was gras te snijden voor zijn vee, vroeg hij een armvol zacht en buigzaam gras; en vóór zich een prachtige boom ontdekkend, wiens bladerdos zich als een toren in de lucht verhief, spreidde hij het gras daaronder uit en ging erop zitten met gekruiste armen en benen, vastbesloten deze plek niet meer te verlaten, eer de Verlichting hem ten deel was gevallen. En de nacht daalde zacht en onttrok hem aan de blikken van de  mensen.

Het was een nacht van verschrikking en verzoeking. Lichaam en geest, elk afzonderlijk en gecombineerd, kwelden hem meer dan een mens verduren kan. Visioenen van zijn leven van liefde, weelde en macht pijnigden zijn lichaam. Verstandelijke problemen en twijfelingen bestormden zijn geest. Waanzinnige dromen en begoochelingen kwamen over hem als dikke warrelende sneeuwvlokken. Maar liefde en innig medelijden hielden hem staande, en hij klampte zich vast aan het doel, dat hij zich gesteld had, gelijk een schip de door de storm hoog opgejaagde golven doorklieft, regelrecht koers houdend naar de haven van bestemming.

En toen het duister begon te wijken en een grauwe lichtstreep aan de oosterkim zichtbaar werd, viel de verlichting hem ten deel. Niet gedeeltelijk, niet voor een ogenblik, doch helder, standvastig en volmaakt. Het hoogste bewustzijn was zijn deel geworden, en hij ontving het met een juichkreet: “Licht!”.

Hij zag verleden, heden en toekomst als een eenheid. Hij zag de werkelijke oorzaken en geheimen van geboorte en dood en de overgang naar nieuwe levens. Hij zag de zogenaamde individualiteit of het ego van de mens voor zich ontleed in samenstellende factoren, gelijk de uitgerafelde draden van een kleed, en hij ontdekte er onsterfelijkheid nog duurzaamheid in. En hij zag de Waarheid – de Weg ter Ontkoming. Verlicht door alle wijsheid zat de Boeddha, de volkomen Ontwaakte, verloren in contemplatie van het universum Zoals Het Is, nadat hij het Nirwana van Vrede was binnengegaan. Om hem heen volgden dag en nacht elkander ongemerkt op, want hij was volkomen vervuld van de hem ten deel gevallen zaligheid. En ten slotte verhief hij zijn stem en zong luid en triomfantelijk zijn lied van overwinning:

 

Menig huis des levens heeft mij gevangen gehouden,
Zoekende steeds wat bouwde
De door leed bezwaarde gevangenis der zinnen,
Bitter was mijn ononderbroken strijd.
Maar nu, o bouwer van de lichaamsgevangenis,
Nu ken ik u, nimmer zult gij opnieuw bouwen
Deze muren van lijden,
noch optrekken de dakspant van bedrog,
Noch nieuwe binten leggen op de klei.
Vernietigd is het huis, doorkliefd de dakspant.
Door waan en begoocheling was het gebouwd.
Veilig verlaat ik het om bevrijding te verwerven.

 

Hij had gezegevierd. Een tijd lang zat hij in zalige overpeinzing en vroeg zich af, of het mogelijk zou zijn de gevonden kennis aan de wereld mede te delen.

“O onbeschrijflijke zaligheid, niet te verwarren met andere, doch geheel enig, lieflijk en ongeëvenaard; zelfs in de hemelen niet te verwerven dan door de kracht der goden, maar binnen het bereik van iedereen, die in ernstig streven het aangezicht omhoog richt. voor de kleine kinderen der wet evengoed als voor de wijzen en edelen. En ten slotte: niet de dauwdruppel verloren in de oceaan, doch de oceaan opgenomen in de dauwdruppel. Aldus overgoten met zonneschijn en badend in vrede, zat de Volmaakte.”

Hier ontving hij een offer, bestaande uit voedsel, van twee Burmaanse kooplieden, Bhallika en Tapussa genaamd; de eersten, die hij als discipelen aannam. Daarna stond hij op en besloot naar Benares te gaan om de vijf asceten op te zoeken, die hem hadden bestraft, en hen de ogen te openen. Zijn leermeesters, Alara en Uddaka, waren thans dood, anders zou daar zijn eerste plicht gelegen hebben. Op zijn reis naar Benares ontmoette hij een jonge trotse Brahmaan, die desalniettemin geboeid werd door de grote persoonlijkheid van de bedelmonnik, die hem voorbijging. Hopend hem vast te kunnen zetten riep hij luid:

“Hallo, meester, wat maakt iemand tot een waar Brahmaan?” En de Verhevene antwoordde: “Het afzien van alle kwaad, het zuiver zijn in gedachten, woorden en daden – daar komt het Brahmaan zijn op neer.”

Het onverwachte antwoord bracht de trotse jongeman van zijn stuk. Hij zei aarzelend: “Hoe is het mogelijk, dat uw gezicht zo schoon is, stralend als de maan, die in een stil water schijnt? Vanwaar de vrede die u omzweeft? Van welke edele stam zijt gij, en wie is uw Meester. Hier de Weg te vinden, in dit land, waar alle mensen worstelen – Wat is uw Weg?

En Hij Die Zijn Doel Bereikt Had antwoordde: “Gelukkig is hij, die de Waarheid gezien heeft. Gelukkig is hij, die in heel de wereld niet kwaad van wil is, zichzelf in bedwang heeft en geleid wordt. En het hoogste is het verlost zijn van de gedachte: “ik ben ik”. Ik ben van geen edele stam, en ik bezit geen leermeester. Ik ga mijn weg alleen en tevreden.”

En de trots van de brahmaan was gekwetst en hij antwoordde kortaf: “eerwaarde, uw weg gaat omhoog,” en sloeg de tegenovergestelde richting in, niet beseffend, dat hij de kans van zijn leven was tegengekomen en had gemist.

Dus kwam de Gezegende te Benares, aan het hertenpark van Isipatana, waar de vijf asceten verbleven. Toen zij hem zagen komen, zeiden zei nog tot elkander:

“Daar komt Gautama, die rijk voedsel tot zich neemt en een weelderig leven leidt. Laat ons  hem geen eerbied betonen, nog opstaan om hem tegemoet te gaan. Laat ons hem alleen een zetel aanbieden, zoals wij het iedereen zouden doen, en dan kan hij gaan zitten als hij dat verlangt.”

Maar naarmate de Heer Boeddha nader kwam, straalde de majesteit van zijn aanwezigheid hen tegemoet, en zij konden zich niet langer aan hun besluit houden. Zij stonden op, en de een ontdeed hem van zijn bedelnap, een ander bracht een zetel, een derde water, zat neder en waste zijn vermoeide voeten.

Het was tot dit vijftal dat hij zijn eerste prediking hield, en hun ogen werden geopend voor de blijdschap. Een van hen, sindsdien Konadanna, de wetende genaamd, smeekte, of hij hen als discipelen wilde aanvaarde, en hij antwoordde”

“Komt naderbij, monniken, de leer is juist gepredikt. Wandelt in reinheid naar het doel: het einde van alle leed.”

Aldus kwamen zij tot inzicht en begrijpen.

Het nieuws verbreidde zich snel, en om hem heen verzamelden zich zeer vele jonge lieden van goede familie en hoge kaste, die vermoeid waren van de zinnelijkheden van het leven in hun milieu en begerig waren te horen van blijdschap en van het einde van alle lijden.

_______________

 Adams Beck, L. Wijsheid uit het Oosten, een overzicht van de Oosterse wijsbegeerte. Den Haag: Servire.