Home » ZENTHEMA'S » Zenthema's 121 - 168 » 132 Het gras groeit in de lente

Wereld en leven zijn daar

onveranderbaar

onveroverbaar

gegeven

 

Tot in de verten van de vreugd

tot in de toppen van de pijn

tot in de tippen van twee

wandelende laarzen.

 

Wat moet ik veranderen

wat moet ik veroveren

wat moet ik bewijzen?

 

Alles is daar

inbegrepen mezelf

mild

onvermijdelijk

volledig

 

Is dit het verblindend

eeuwigdurend 

nu?

 

Het rivierwater vloeit stroomafwaarts

de wolken drijven met de wind

het gras groeit in de lente.

 

In alles is voorzien.  Het ontbreekt ons aan niets, nirvāna is hier, zei Hakuin1   En toch is er van uur tot uur in ons een onlesbare dorst, een niet te vervullen verlangen.  Niet het verlangen zelf is de bron van ons lijden - zonder verlangen zijn we geen mens -, maar de begeerte, het hardnekkig vastzitten aan dat verlangen. En het gemis aan kracht om met verlies en ontgoocheling om te gaan als onze verlangens niet vervuld worden.

 

De kracht van zen is dat het ons in het nauw drijft, ons het gevoel geeft dat we geen kant meer op kunnen, dat er in ons leven nooit iets echt naar wens verloopt of verlopen zal.  Ons werk deugt niet, in onze relatie zit de klad, onze kinderen stellen ons teleur, angst loert achter ieder hoek, armoede schreit ten hemel, het klimaat voert ons naar de verdoemenis, ons geld is niets meer waard, de kanker vreet aan ons bestaan, al onze inspanningen zijn vergeefs, enzovoorts en zo verder.  Wat nu, als we geen plek meer hebben om te gaan staan 2  ? Het enige wat ons dan te doen staat, is de sprong wagen vanaf de dertig meter hoge paal; de sprong in het vertrouwen that all shall be well.  Naïef, wereldvreemd, utopisch?  Ongetwijfeld, en daarom de moeite waard. Je kunt niet dertig meter hoog blijven zitten, niets doen is geen optie, het is nu zwemmen of verdrinken. Zwemmen in wat  nu eenmaal is.

 

Alles is daar

inbegrepen mezelf

mild

onvermijdelijk

volledig

 

Zo staat het er bij Erik van Ruysbeek 3 , in zijn gedicht De regels van het spel.

Alles is voorhanden, alles is aanwezig.  Onvermijdelijk; je kunt niet langs het leven en de wereld heen kijken. Onvermijdelijk volledig.  Alles wat zich voordoet, het goede en het kwade, maakt deel uit van het geheel.  Ook ik, met mijn vreugde en mijn pijn. En de kern van alles is mildheid.  Wat een provocatie!  Mild zijn tegenover je pijn?  Mild zijn tegenover het kwaad in de wereld, hoe doe je dat? Dát is de uitdaging van de sprong van dertig meter hoog in de diepte van het vertrouwen.

 

Het leven is wat het is, in zijn zoheid. 

 

Wereld en leven zijn daar

onveranderbaar

onveroverbaar

gegeven

 

Tot in de verten van de vreugd

tot in de toppen van de pijn

tot in de tippen van twee

wandelende laarzen.

 

Wat moet ik veranderen

wat moet ik veroveren

wat moet ik bewijzen?

 

Je zou haast geneigd zijn tot fatalisme. Laat de boel maar de boel, het helpt toch allemaal geen donder.  Maar dat staat er niet. Er staat wel dat wereld en leven nu eenmaal gegeven zijn; en dat de kunst erin bestaat de dingen te laten zijn wat ze zijn, in evenwicht en harmonie.  Wie de dingen naar zijn hand wil zetten en veroveren, verstoort het evenwicht van yin en yang.  Wie bijvoorbeeld roekeloos omspringt met het milieu, delft zijn eigen graf.  Wie zichzelf wil bewijzen, versterkt enkel zijn ego, ten koste van anderen.

 

Alles is daar….volledig. De volheid is die van alles wat er is, de leegte maakt de volheid mogelijk. De volheid van de vorm impliceert de lege ruimte, die kansen schept. Mildheid te midden van alle ellende geeft hoop en nieuwe adem. Zo wordt het overvolle weer een stuk leger.

 

Zullen we met dit soort praatjes de dreigende terreur keren? Het veronderstelt een meer dan menselijke moed (een grenzeloze naïviteit) om mild te zijn tegenover de waanzin van terreur.  Dat klopt, maar de kracht van zen is nu net die van het naïeve “en toch”.  Vanuit die kracht, en ondanks alles, vaak tegen beter weten in blijven vertrouwen dat alles mogelijk blijft, zelfs het onmogelijkste van alle gesprekken met al wie elk gesprek weigert, dat is de sprong in de diepte.

En dan maar hopen dat het vroeg of laat, na eindeloos vele levens van iedere keer opnieuw geboren worden in dezelfde fouten en gebreken, uiteindelijk tot ons doordringt  dat alles waarvoor we ons met hart en ziel hebben ingezet, er in feite altijd al was, en is, en zal zijn. Nirvāna is hier,

 

Het rivierwater vloeit stroomafwaarts

de wolken drijven met de wind

het gras groeit in de lente.

 

Het water stroomt, de wind waait, het gras groeit.  Het klinkt als in de soetra van De identiteit van veelheid en eenheid van Shih-t’ou (700-790) 4.  Alles valt op zijn plaats, er is weer rust en geborgenheid.  Alles gedijt op zijn eigen manier, maar vanuit dezelfde oorsprong.  Er is alleen nog zien, horen, ruiken, proeven.  Zo is het altijd geweest, zo zal het altijd zijn; alleen, wij zagen het niet, te druk als we bezig waren met oordelen, veranderen, veroveren en bewijzen.

 

De vier elementen hernemen ongedwongen hun natuur, zoals een kind kan vertrouwen op zijn moeder.

Vuur is warm,

water is nat,

de aarde hard.

Ogen zien,

oren horen,

de neus ruikt,

de tong proeft.

Alle zijn zelfstandig, maar de verschillende bladeren vinden hun oorsprong in dezelfde wortel.

 

Dan wordt van Ruysbeeks vraag vanzelf overbodig:

 

Is dit het verblindend

eeuwigdurend 

nu?

________________

1 Zie zenthema 131

2 De koan van Hisamatsu.

3 van Ruysbeek, E. (1976). Van Golf tot zee. Hasselt: Heideland-Orbis. (p. 70)

4 www.mahakarunachan.nl