Home » ZENTHEMA'S » De plaatjes van de os (38 - 47) » 44 Over zwepen en touwtjes

Zeven

 

Rijdend op de os komt de hoeder thuis.

Er is geen os meer. De hoeder zit alleen, stil,

en lijkt te dromen onder de lome druk

van de middagzon.

Zweep en touw liggen nutteloos onder het rieten dak.

 

Zweep en touw liggen nutteloos onder het rieten dak. Alle hulpmiddeltjes die we tijdens de meditatie hebben aangewend blijken nu nutteloos te zijn. Misschien hebben ze ons ooit geholpen, maar nu doen ze er niet meer toe. Onze inspanningen om zo goed en rustig mogelijk te ademen, onze vaste wil om aandachtig in het hier en nu te zijn, onze bereidheid alle gedachten los te laten… al die zweepjes waarmee we onszelf op ons kussen pijn hebben gedaan, al die theorietjes, de touwtjes waaraan we ons hebben opgetrokken...ze zijn niet meer nodig.

 

Ze zijn nooit nodig geweest, want in feite is er nooit een os geweest die we moesten bedwingen. Die gedachten, die we toch o zo graag wilden temmen, bestonden in wezen niet eens, dat wil zeggen ze hadden niet meer grond van bestaan dan wat ze in werkelijkheid waren: lucht en leegte.1

 

Natuurlijk ervaren we ‘gedachten’, maar die zijn leeg in die zin dat ze veranderlijk zijn en voorbijgaand. Hetzelfde geldt van onze identiteit; ook die is leeg omdat we ons er niet kunnen aan vastklampen eens en voorgoed.

 

Dergelijke inzichten beginnen de hoeder te dagen, nu hij daar rustig voor zijn hutje zit, stil voor zich uit dromend onder de lome druk van de zon. ‘t Is middag, de zon staat op haar hoogtepunt, de dag voelt loom aan en de hitte heeft ook de geringste beweging tot stilstand gebracht. De hoeder zit daar, alleen. Hij doet niets, handelt niet, werkt niet voor zijn kost. Het enige wat hij doet is zitten te zitten.

 

Wat gaat er in zijn lome hersenen om? Ook die zijn tot stilstand gekomen. Gedachten komen, gedachten gaan, volgen elkaar op als in een droom. Echt te volgen zijn ze niet, en dat hoeft ook niet. Ze zijn wat ze zijn, en gaan hun eigen gangetje. Tegen de achtergrond rijst de berg op. De hoeder zit als de berg: bewegingloos, onaangedaan, onverstoorbaar. Alles is rustig, alles is goed zoals het is. Er is alleen zo-heid. Geen vragen meer, geen verlangen, geen doel. Louter zitten. De os is vergeten. Hier zijn alleen de hemel, de berg, de zon en de man. En voor de rest louter verstilling en versterven, van alle geluid en van de hoeder zelf. Hier gelden geen regels, geen voorschriften, geen rituelen, geen heilige teksten, hoe goedbedoeld ook.

 

Alles wat de mens in de loop der tijden bedacht heeft om zijn grote gemis en verlangen naar Houvast gestalte te geven lost op in de stilte van het oorverdovend zonlicht. 2

 

Hier past alleen nog deemoed en buigen voor de Leegte, voor de Ruimte en het Onuitsprekelijke. Alle woorden schieten hier te kort, worden spraakgebreken van de schaduw 3 van die tussen het licht van ons vermoeden en het donker van ons niet-weten.

_____________

1 Prediker 1:2-11

2 Lucebert (2002) ‘apocrief / de analphabetische naam’. In: Lucebert, verzamelde gedichten. Amsterdam: De Bezige Bij.

3 Ibidem