Het hele lichaam

is een mond gehangen in de lege ruimte.

Zonder verschil te maken hoe de wind waait 

- oost, west, zuid of noord - 

spreekt hij standvastig tot anderen over de wijsheid:

tinkel, tinkel, tinkel! 1

(Woorden van Meester Nyojo, de leermeester van Dōgen.)

 

Ergens heel ver weg klinkt een geluid, waardoor de ijle lucht nauwelijks wordt bewogen. Tinkel, tinkel, tinkel. Het geluid van het windorgel in mijn tuin, of zoals je dat zag bij de ingang van Japanse tempels.

Orgel, het suggereert iets majesteitelijks, een dreunend geweld, dat een hele kathedraal vult.  Niets daarvan. Tinkel, tinkel, tinkel…nauwelijks hoorbaar speelt de leegte met de wind-belletjes.

Het hele lichaam, ons lichaam zoals het hier zit op ons kussen, maar ook het lichaam van alles wat bestaat, is een mond, opgehangen in de lege ruimte. Een gapend gat in een masker, waardoor de ruimte opklinkt. Als gerinkel en getinkel, in een eindeloze echo. 

Wij zijn windorgels van vlees en bloed, open monden waardoor de Leegte spreekt. Wat zij zegt is alleen te verstaan in de stilte, is door niemand te begrijpen.  Waar je ook gaat staan, welke kant je ook uitgaat: oost, west, zuid of noord, overal klinkt je het geluid van de  stilte toe.  Tinkel, tinkel, tinkel.  Ongeacht de omstandigheden, gelijk hoe de wind in je leven ook waait, standvastig rinkelt de klank van prajna.  De klank van de Wijsheid voorbij alle wijsheid.  Gezelle hoorde die in ’t lijzigste gefluister,  in het geritsel van het gebladerte, in de golfslag van het water, in de wind die door weiden en wolken vaart. Alles is taal en vertolking van prajna; Gezelle noemt die ’t diep gedoken Woord. Dat diepste Woord, dat ons af en toe, in een flits, ten diepste raakt slaat ons met verstomming.  Het maakt ons sprakeloos en stil. Prajna is het diepste woord.  En of we het nu zelf spreken, of in ons laten spreken, het diepste woord is stilte.

 

Als de ziele luistert

spreekt het al een taal dat leeft,

't lijzigste gefluister

ook een taal en teken heeft:

blaren van de bomen

kouten met malkaar gezwind,

baren in de stromen

klappen luide en welgezind,

wind en  wee en wolken,

wegelen van Gods heiligen voet,

talen en vertolken

't diep gedoken Woord zo zoet...

als de ziele luistert! 2

_______________

1 De Franse vertaling staat in:

Deshimaru, T. (2003). Le trésor du zen.  Textes de Maître Dogen. Paris: Albin Michel. (p.241)

 

Le corps tout entier est la bouche,

suspendue dans le ciel vide.

Peu importe la direction

d’ où souffle le vent nord, sud, est, ouest;

le grelot à vent

fait toujours tinter le son de prajna:

rin, rin, rin.

 Gezelle: Kleengedichtjes.