Home » Dōgen » Inleiding

Betekenis van Genjokoan

 

Dōgen opent zijn Shōbōgenzō met de Genjokoan (Lees: De absolute werkelijkheid zoals die aan ons verschijnt in de concrete werkelijkheid van alledag), die dateert van 1233. Het belang ervan wordt onderstreept door Bokuzan Nishiari:

 

Ce fascicule est la peau, la chair, les os et la moelle du Fondateur. Y est exposé l’enseignement fondamental donné de son vivant par le Fondateur. Le Dharma du Bouddha qui régit toute sa vie se trouve révélé dans son oeuvre. Les 95 fascicules du Shōbōgenzō n’en sont que les rejetons (1).

 

Genjo betekent: de volledige openbaring der verschijnselen. Koan is ons vertrouwd vanuit zen als een ‘bestaansraadsel’, dat je opgegeven wordt door je meester, zeg maar door het leven zelf. Probeer je het op te lossen met je verstand, dan loop je stuk op een muur. Dōgen gebruikt het woord koan echter in de bijzondere betekenis van ‘eeuwige waarheid’, in de zin dat de werkelijkheid aan ons verschijnt als verwevenheid van ongelijkheid (1.1) en gelijkheid (1.2).

 

Men zegt dat wie wil begrijpen wat zen is, eerst via de poort van de Genjokoan  moet. Wie de Genjokoan wil begrijpen, moet beginnen met de eerste vier verzen daarvan te bestuderen, want die bevatten de hele dharmawijsheid: Alle verschijnselen (genjo) zijn eeuwige waarheid (koan). Of, omgekeerd, in de eeuwige waarheid hebben alle verschijnselen hun plaats en eigen karakter om die waarheid te verwerkelijken. In 1. 1 doen ze dat vanuit hun individualteit. In 1. 2 vanuit hun universaliteit, nl. hun leegte. In 1. 3 en 1. 4 wordt duidelijk dat de verwerkelijking gebeurt voorbij het onderscheid tussen individualiteit en universaliteit. Voorbij alle affirmaties of negaties; voorbij object of subject; voorbij alle tegenstrijdigheden.

 

Het gaat niet om een stappenplan dat je moet doorlopen om verlichting te bereiken. Dōgen heeft het over drie waardevolle inzichten in de werkelijkheid. Fase 2 is niet beter dan fase 1, maar voegt er verdieping aan toe. Hooguit kun je spreken van voortschrijdend inzicht; wat je in de vorige fase hebt begrepen, wordt meegenomen naar de volgende. De drie stadia overlappen elkaar: wat bijvoorbeeld over de leegte wordt gezegd in 1. 1, wordt in 1. 2 aangevuld, en bereikt de synthese in 1. 3. Alles wordt ten slotte poëtisch samengevat in 1. 4.

 

Je kunt het vergelijken met Jan Decortes ontwapenende, ‘kindlijke’ hertaling van Hamlets to be or not to be, that’s the question. Dat klinkt bij hem als: tis of tisni daddist. De wereld wordt bevestigd, ontkend en ten slotte opgenomen in een verdiepend inzicht. Bevestiging, ontkenning, inzicht. Drie visies op de werkelijkheid die in elkaar overgaan en elkaar verdiepen.

In de Genjokoan van Dōgen gaat het ook om die drie (plus één) zienswijzen. In 1. 1 zeg je ‘kindlijk’ over het universum: tis. In 1. 2 luidt het: tisni. Alles wat je over de dingen kunt zeggen, is ‘leeg’. In 1. 3 klinkt de conclusie: daddist. Wat is het? Dat is het: dat leeg en leeg twee (nl. 1. 1 en 1. 2) zijn én ook één (1. 3)!

Hetzelfde traject legt Heraclitus af: dezelfde rivieren gaan wij in (1. 1) en gaan wij niet in (1. 2); wij zijn en zijn niet. (1. 3)

__________

1. Brossé, J. (1998). Polir la lune, labourer les nuages. Paris: Albin Michel. (p. 92)