Niets is nog wat het leek.  Niets is nog zeker.  De vertrouwde betekenis van de woorden is verdampt.  Mijn zelfbeeld davert op zijn broze fundamenten.  Al het vertrouwde wordt plots vreemd en nieuw.  Alle oordelen, vooroordelen, aannames en granieten zekerheden raken verpulverd. Ik bekijk de wereld met nieuwe, soms angstige ogen, alsof ik daar al eerder was en er nu niets meer herken.  Wat moet ik hiermee? Nu ik eindelijk hoopte stilaan alles op een rijtje te krijgen, gooit mijn zitten in zen alles overhoop.   Is dat nu die oosterse rust? 

Ik heb blijkbaar mijn leven gebaseerd op valse plaatjes en misleidende praatjes.  Stemmetjes van buiten, stemmetjes in mijzelf praatten mij een beeld aan van de werkelijkheid waarmee niet te werken valt. Ze tot zwijgen brengen kost moeite en de stilte die daarop volgt, brengt soms wel rust, maar vaak ook ontzetting.  Afscheid nemen van de leugens valt zwaar. Liever de vertrouwde gevangenis dan de onbekende vrijheid? (Zie zenthema 144) Grote twijfel.  Aan alles.  Aan ieder woord. Leegte, goed en kwaad, lijden, mediteren, toevlucht nemen, mededogen, ware zelf… Ze hebben allemaal een andere betekenis gekregen.  Alles wordt in zen opengebroken, en dan beetje bij beetje weer opgebouwd.

 

Leegte. Vroeger wist ik precies wat het woord inhield.  Prediker hielp me daarbij:

 

ijler dan ijl, alles is ijlheid!

Welk voordeel heeft de mens,- 

van al zijn gezwoeg 

waarmee hij zwoegt onder de zon?1

 

Ijl, dat is steriel, onvruchtbaar, van geringe dichtheid, zegt van Dale. Je blaast er zo doorheen, het heeft allemaal niets om het lijf.  Al ons gezwoeg onder de zon is uiteindelijk lucht en leegte.

Ik geloof het graag.  Maar dan leer ik zen kennen en leegte wordt plots vruchtbare openheid, waarin alles en iedereen ontvangen wordt zoals het is, in zijn naaktheid en raadselachtigheid.  Zonder vooroordeel of oordeel mag je nu alles laten binnenkomen in de oneindige ruimte van alle mogelijkheden.

Dat is nu precies wat er gebeurt in je ware zelf.  Nog zo een kanjer! Je ware zelf, dat is alles wat er overblijft nadat je alles geschrapt hebt, nadat je alles hebt opgegeven, nadat de grond onder je voeten is weggeschopt. Je ware zelf IS de leegte.  Eigenlijk zouden we moeten spreken over het ware zelf in plaats van over je ware zelf.  Want het is niet van jou, en al helemaal niet je ego, dat je in stand wilt houden en verdedigen tegen alles en iedereen.  Integendeel, het ware zelf is de Leegte zelf, die de vrijheid schept om te aanvaarden wat zich aandient, en in wat zich aandient het lege, vloeiende, vergankelijke ervan te onderkennen.

 

Je ware zelf is de lege ruimte waarin de werkelijkheid zich voltrekt.  Daarzonder is er geen werkelijkheid.  Een beetje oneerbiedig gezegd is ons ware zelf een soort tochtgat waarlangs alles binnenkomt en ook weer verdwijnt, zonder zich ergens wat van aan te trekken, zonder de ambitie zich te vestigen, altijd op doorreis.  De werkelijkheid die zich voltrekt is van nature een werkelijkheid die voorbij-trekt, zoals de wolken tegen de lege achtergrond van de hemel. De ellende begint wanneer in ons ego de behoefte ontstaat ergens bij een wolk te blijven hangen. We zoeken maar al te graag onze woonst in een of andere ijle werkelijkheid, die we maar al te graag inkapselen en vol stouwen met gedachten, plannetjes en projecten.

 

In de leegte trekt alles aan ons voorbij.  Onverschillig.  Het goede en het kwade, de vreugde en het lijden.

Ach, nu komt het!  Het eeuwige en onoplosbare vraagstuk van het lijden.  Moeten we dat dan zomaar aanvaarden als iets wat er nu eenmaal bijhoort, ontstaat en vergaat zonder dat we er vat op hebben?

Wat we zeker weten is dat goed en kwaad ook in dat tochtgat dat ik ben langs komen razen.  Ik ben het goede en ik ben het kwade.  Beide herken ik in mezelf.  Meer nog, ik kan pas oordelen over iemands kwaad, omdat ik het in mezelf herken. Als we niet aanvaarden dat het kwaad en het lijden onlosmakelijk behoren tot de werkelijkheid, in mij en in iedereen, blijven we altijd afstand houden van onze medemens.  Zolang we het kwaad toeschrijven aan iets of iemand buiten ons, blijven we de werkelijkheid opdelen in wij, de goeden, en zij de kwaden.  Zolang we niet verder komen dan met onze illusies het lijden buiten de deur te houden, of niet verder komen dan het droeve lot van onze naasten te betreuren en met neerbuigende goede werken uit compassie tegemoet te treden, blijven we in de dualiteit.  Zolang het kwaad van de ander ook niet ons eigen kwaad is geworden, zolang het lijden van de ander ook niet ons eigen lijden is geworden, blijven we blind voor de wereld-zoals-die-is.  Als we de ogen blijven sluiten voor het lijden, sluiten we de wereld buiten.

 

Het onvoorwaardelijk insluiten van de ruimte van het volledige leven - ik verwijs nog maar eens naar Lucebert2 - krijgt gestalte in de figuur van de bodhisattva Kuan Yin. Ook al wordt zij in de volksdevotie voorgesteld als de Algoede Moeder, die al onze problemen oplost, in feite is zij degene die ons toont dat het - ook voor ons - mogelijk is alle lijden in zich op te nemen. 

In de Soetra Van Kuan Yin staat dat één gedachte aan haar volstaat opdat alles ten goede wordt gekeerd. Het lijkt alsof er een schietgebedje bestaat waardoor alles hocus pocus wordt opgelost. Maar dan lezen we plots iets zeer moois:

Zij die geheel door doodsangst zijn bevangen, 

zullen altijd door haar gedragen worden.3

Het oorspronkelijke boeddhisme had het niet zo met bidden en smeken tot (de visualisatie van) een of andere bodhisattva.  In de Bloemenkrans soetra wordt Avalokiteshvara (ander benaming voor Kuan Yin) voorgesteld als een vehikel van liefde en mededogen. Een vehikel, een voertuig.  Via Kuan Yin wordt het mededogen ingevoerd in de wereld.

Als we toevlucht nemen tot Kuan Yin, dan is dat niet in de hoop dat zij als bij toverslag alle leed uit ons bestaan zou wegnemen.  We nemen toevlucht tot haar, we zoeken bij haar een schuilplaats, zoals een kind in de armen van zijn moeder loopt om getroost te worden.  Het leed is daarmee niet uit de wereld, maar het vertrouwen dat er iemand is bij wie we altijd terechtkunnen (echt of in onze niet minder echte verbeelding) maakt ons het leven draaglijk.

 

Of het leven zin heeft is een onmogelijke vraag.  Stel, dat het voor de volle honderd procent absurd is. Eén groot ijselijk tochtgat. Een almaar je te pletter lopen op een ondoordringbare muur.4 Wel, die ervaring alleen al is voldoende als uitgelezen uitgangspunt om te komen tot mededogen.  Goed, het zij zo, het leven is absurd en overal op ons pad ontmoeten we lijden, dat we onszelf en anderen hardnekkig aandoen.  Precies dat verlies van alle houvast kan niet anders dan de bron zijn van ons mededogen.  In alle ellende die we doormaken, zijn we het aan onszelf en onze waardigheid verplicht in elkaars schoenen te gaan staan en voor elkaar een schuilplaats te zijn. Dat is de kern en de bron van ons eeuwige verlangen. Dan kunnen we ons warmen aan het beeld van een veilige haven, waar we ooit zullen binnenvaren, te midden van de storm. De haven van Kuan Yin. Daar mag ook het woord van Luther klinken:

 

Heer, blijf bij ons, want het is avond en de nacht zal komen.5

(…) 

Blijf bij ons wanneer over ons komt 

de nacht van beproeving en van angst, 

de nacht van twijfel en aanvechting, 

de nacht van de strenge, bittere dood. 

Blijf bij ons in leven en in sterven, 

in tijd en eeuwigheid.6

________________

1 Prediker, 1: 2 - 3 (Naardense Bijbel)

2 Lucebert: Ik tracht op poëtische wijze

http://www.mahakarunachan.nl/files/2010/12/06-Kuan-Yin-Lotus.pdf

4 o.c.

5 Lucas 24: 29

6   Avondgebed van Luther.