Home » ZENTHEMA'S » Zenthema's 121 - 168 » 129 De school van het verlies

Bij een eerste kennismaking met het boeddhisme schrikken we wel even.  Leven impliceert lijden.  Zo is het en niet anders. Dat klinkt pessimistisch, en het vergt heel wat aanpassingsvermogen om die boodschap een plaats te geven in je leven, zonder te vervallen in nihilisme. 

 

Vorige week vond ik in de Kringwinkel een merkwaardig boek over Anne Frank en Etty Hillesum 1.  De naam Anne Frank behoort tot ons collectief geheugen, maar met Etty Hillesum zijn we minder goed vertrouwd. Zij was, samen met haar familie, het slachtoffer van de jodenvervolging tijdens de Tweede Wereldoorlog.  Haar leven getuigt van een enorme veerkracht en moed, niet in het minst vanwege het feit dat zij weigerde aan het kamp te ontkomen en min of meer ‘vrijwillig’ naar Westerbork vertrok.

Het is niet de bedoeling die lijdensweg te vertellen, maar wel te laten zien hoe zij, die weinig met zen en boeddhisme te maken had - al vermeldt zij sporadisch wel de Boeddha - op haar unieke wijze gestalte gaf aan een levenshouding waarin heel veel zen te bespeuren valt. De eerste woorden op de achterflap van het boek maken dat al duidelijk: Wat blijft, wanneer alles je ontnomen wordt? Of, met de woorden uit de koan van Hisamatsu:  Waar ga je staan, als je geen plek meer hebt om te gaan staan? Het antwoord op die vraag kennen wij vanuit onze Ch’antraditie: 

 

Als alles je ontnomen wordt,

en innerlijke verscheurdheid onvermijdelijk is, 

neem dan je toevlucht tot Kuan Yin, 

en mededogen keert alles ten goede.

 

Maar dat is niet de weg die Hillesum kiest.

 

We beginnen bij het begin. Leven is lijden. Dukkha., gemis, onvolkomenheid, innerlijke verscheurdheid…. Dat lijden ontstaat uit dualiteit. Onze overdreven aandacht voor ons eigen ik zorgt ervoor dat we ons afscheiden van de rest van de realiteit.  Daardoor ontstaan de drie vergiften: onwetendheid, haat, begeerte. Begeerte dat is bij Hillesum  ‘hebberigheid’:

 

Ik was te zinnelijk, ik zou haast zeggen ‘hebberig’ ingesteld.  Naar wat ik mooi vond, verlangde ik veel te sterk lichamelijk, ik wilde het hebben. 2

 

Zelfs als ze schrijft aan haar dagboek, beseft ze dat dat ook gepaard gaat met een drang om te bezitten:

 

Dat schrijven begrijp ik nu geloof ik ook.  Het is op een andere manier ‘bezitten’, het is de dingen met woorden en beelden naar je toe halen en ze zo toch bezitten.  En dit was, geloof ik, tot nu toe het wezen van mijn schrijfdrang: stilletjes wegkruipen voor iedereen, met alle schatten die ik vergaard had, en dan alles opschrijven voor mezelf en er zo van genieten. 3

 

Naar je toe halen, schrijfdrang, wegkruipen voor iedereen wijzen alle op dualiteit, afgescheidenheid.

 

Veel ingrijpender uiteraard is het onnoemelijke leed van de Tweede Wereldoorlog dat zij als joodse dag na dag aan den lijve ondervindt. Heel de nazi-ideologie berustte op onderscheid, afgescheidenheid, dualisme tussen Übermenschen en niet-mensen.  Hoe ga je om met dat lijden? Het is de kernvraag van het (zen)boeddhisme.

 

1 Erkennen wat is

Volgens de Franse auteur Cixous zat Hillesum te midden van haar lijden op de school van het verlies. 4 Daar leert ze hoe te rouwen, hoe een positieve wending te geven aan het verlies.  Dat lijkt ons, die geen heiligen of helden zijn, een onmogelijke opdracht. En toch. Hillesum heeft de geheimen van het leven ontdekt doordat ze met de dood voor ogen schreef, zegt De Costa 5 . Ze heeft de openheid van geest en zintuigen om midden in de Sjoa van het leven te genieten. 6

Klinkt dat niet als Levendood is een ernstige zaak? Erkennen wat is, daarop komt het aan, niet wegvluchten.  Erkennen dat leven en dood bij elkaar horen, in elkaar verweven zitten.  Midden in de dood (de Sjoa) van het leven genieten. Vervuld zijn van leven:

 

Etty Hillesum wil bereiken dat ze zo vervuld is van leven en rust tegelijk, dat er voor de vraag naar de zin van het leven eenvoudig geen plaats is. (…) Ze leert bewust te leven in de tegenwoordige tijd: door de dagelijkse taken met aandacht te doen, leert ze de volheid van het moment te ervaren. 7

Hillesum maakt van een alledaagse bezigheid een ceremonie, een ceremonie van genieten én van het afscheid van het genot.  Ze maakt een soort inventarisatie van alle verliezen, maar die inventarisatie is tevens een opsomming van alle rijkdommen. 8

 

Vervuld van leven en rust.  Het doet mij denken aan Kalm en evenwichtig. Leven in het nu, de dingen met aandacht doen.  Allemaal aanbevelingen van zen. Dan is er geen plaats en tijd meer voor de Grote Zinvraag. Ook de Boeddha hield zich niet zo veel in met grote metafysische kwesties.

 

Het alledaagse met aandacht omgeven krijgt dan iets ceremonieels. Het nu en het afscheid van het nu worden voltrokken in hetzelfde ogenblik.  En met het afscheid van alle vreugde is tegelijk ook alle rijkdom vastgesteld en vastgelegd. Het laatste slokje water (dood) met aandacht gedronken wordt dan de hele inventaris van alle momenten van dorst lessen (leven).

 

2  Aanvaarden

Vooraf deze waarschuwing van Etty Hillesum, om ieder misverstand uit de wereld te ruimen:

 

En mijn aanvaarden is geen resignatie of willoosheid.  Er is nog altijd plaats voor elementaire zedelijke verontwaardiging over een regiem dat zó met mensen omspringt.  Maar de dingen komen te groot en te demonisch over ons, dan dat men daar nog met een persoonlijke wrok en verbittering op zou kunnen reageren. 9

 

Aanvaarding is geen fatalisme, elementaire verontwaardiging over het naziregime is men aan zichzelf als mens verplicht. Maar dat regime is zo overweldigend des duivels, dat jouw persoonlijke wrok niet bij machte zal zijn het te doen ophouden. Welk houvast rest Hillesum dan nog? De taal! Zal die de nazi’s tegenhouden?  Neen, maar volgens De Costa heeft Hillesum de volheid van de taal nodig om de leegte van het leven te kunnen aanvaarden. 10

 

Taal ontstaat waar gemis is, waar afwezigheid is en ook schrijven komt voort uit het verlies van een paradijselijke toestand. (…) Het is als een voertuig, een transportmiddel dat door de hel gaat op zoek naar een tweede paradijs. (…) al schrijvend bereikt zij rust en vrede. 11

Ook in het schrijven horen dood en leven bij elkaar: door de hel van de kampen naar het paradijs; per aspera ad astra.  Maar het is geen wandelingetje door het park. Het heimwee naar het verloren paradijs moet uitgroeien tot een nieuwe veilige plek: het dagboek, dat dan zijn werk kan doen als een journal de secours (Cixous), een reddingsdagboek.

 

3  Leef het onleefbare

Hillesum heeft de onmogelijke taak op zich genomen het onleefbare te leven en het onbeschrijflijke te beschrijven (Cixous) 12  Dat onleefbare leven deelde zij in Westerbork met de verschoppelingen, met hen die in de ogen van de nazi’s niet-mensen waren:

…juist de mensen die onder zware omstandigheden moeten zien te leven, zijn soms in staat de waarheid van het leven te ervaren.  Daarom moet naar deze mensen, de daklozen, de zwervers en de bannelingen, geluisterd worden. 13

 

Het is onvoorstelbaar hoeveel zij nog gaf, terwijl ze niets meer te verliezen had. 14

Wat heb je nog te geven, als je niets meer hebt? Wat ga je doen als alles gedaan is, terwijl niets helpt? Dat is Hisamatsu’s koan, die ons ego fileert tot op de graat.

 

4  Mediteren

Als de hele wereld om je heen vergaat, dan nog de moed opbrengen om te mediteren, het is meer dan een mens kan doen. Hillesum noemt mediteren hineinhorchen (naar binnen luisteren, luisteren naar zichzelf, naar de stem van je hart). Van de wereld daarbuiten binnengaan in je eigen Weltinnenraum (Rilke) en daar ontwaken tot je ware zelf (Gelofte aan de mensheid).

Hillesum noemt dit ware zelf uiteindelijk God.

 

Wanneer ze, (…) zo vaak aan God schrijft.  Het lijkt vaak een soort God de Vader, een God buiten de mensen, de Ander.  Het is echter de kern, de essentie van ieder mens.  De verwarring ontstaat misschien, omdat ze God personifieert. 15

 

Hier stuiten we op het probleem van het Godsbeeld.  Traditioneel zijn wij opgevoed met een God buiten en boven ons. Zo een God wordt des te gecompliceerder doordat we hem verpersoonlijkt hebben en opgezadeld met alle menselijke en bovenmenselijke gaven en gebreken, van barmhartig tot meedogenloos.  Dat is niet de God van Etty Hillesum.  Die is IN ons, die is ons ware zelf: alles wat ons ten diepste maakt tot wie we zijn:

Die oerbronnen in zichzelf, die ik nu maar God wens te noemen. 16

 

Als Etty Hillesum bidt tot God, dan klinkt dat zo:

 

Weet U, God:

ik zal m’n best doen.

Ik zal me niet onttrekken aan dit leven.

Ik zal mee blijven doen en proberen

alle gaven die ik heb, als ik die heb,

te ontplooien.

Ik zal niet saboteren.

Maar geef me af en toe een teken.

En laat U wat muziek uit me komen,

laat er wat er in me zit vorm vinden,

het verlangt er zo naar.

 

Het dagboekfragment (25/11/1941) wordt afgesloten met de woorden: In een heel merkwaardige stemming. - 17

_________________

1  De Costa, D. (1996). Anne Frank & Etty Hillesum. Spiritualiteit, schrijverschap, seksualiteit. Amsterdam: Balans.

2  Smelik, K. (red.) (19913). Etty. De nagelaten geschriften van Etty Hillesulm. 1941 - 1943. Amsterdam: Balans. (p. 25)

3  o.c. pag. 26

4  De Costa, D. (1996). Anne Frank & Etty Hillesum. Spiritualiteit, schrijverschap, seksualiteit. Amsterdam: Balans. (p. 229)

5  o.c. p. 230

6  o.c. p. 249

7  Smelik, K. (red.) (19913). Etty. De nagelaten geschriften van Etty Hillesulm. 1941 - 1943. Amsterdam: Balans. (p. 34)

8  De Costa, D. (1996). Anne Frank & Etty Hillesum. Spiritualiteit, schrijverschap, seksualiteit. Amsterdam: Balans. (p. 230)

9  Smelik, K. (red.) (19913). Etty. De nagelaten geschriften van Etty Hillesulm. 1941 - 1943. Amsterdam: Balans. (p. 515)

10  De Costa, D. (1996). Anne Frank & Etty Hillesum. Spiritualiteit, schrijverschap, seksualiteit. Amsterdam: Balans. (p. 240)

11  o.c. p. 241

12  De Costa, D. (1996). Anne Frank & Etty Hillesum. Spiritualiteit, schrijverschap, seksualiteit. Amsterdam: Balans. (pp. 250-251)

13  o.c. p. 252

14  o.c. p. 254

15  o.c. p. 279

16  Smelik, K. (red.) (19913). Etty. De nagelaten geschriften van Etty Hillesulm. 1941 - 1943. Amsterdam: Balans. (p. 566)

17  o.c. p. 161