Home » ZENTHEMA'S » Zenthema's 48 - 80 » 58 Nolens volens

Soms, zoals vandaag, heb ik de indruk dat mijn leven niets anders is dan een dagelijks gevecht met de tegenstrijdigheden waaruit ik besta. Er zijn mensen - en ik ben een van hen - op wie elke uitspraak van anderen én henzelf onmiddellijk toekomt in haar contradicties. Voor die mensen is bestaan: knel- en brandpunt blijven van een veelheid aan vragen: al die vragen blijven stellen zonder de hoop op een definitief antwoord. En wat vroeger de tragiek van hun leven bepaalde - nooit een keuze kunnen maken - wordt in het ouder worden een zeldzaam wapen tegen de gelijkhebbers, de kiezers, de weters, kortom, tegen de volwassenen. 1

 

De voorbije week heb ik wat zitten grasduinen in de dagboeken van Leonard Nolens, in de hoop daar wat zen aan te treffen. Mijn moeite was niet tevergeefs, op de eerste honderd bladzijden staan al, ruw geschat, zo een twintigtal pareltjes van oosterse diepzinnigheid.

 

Het citaat hierboven begint al aarzelend: soms…. de indruk. Alsof Nolens zich meteen wil verontschuldigen dat hij zich wel eens zou kunnen vergissen met zijn uitspraak dat zijn leven niets anders is dan een gevecht met tegenstrijdigheden. Contradicties vormen het leidmotief van zijn leven; hij ontwaart ze overal, om te beginnen bij de anderen. Dat wekt, zo stel ik het mij voor, ergernis. Waarom zijn mijn medemensen niet consequent, duidelijk, betrouwbaar? Waarom ervaar ik hen als dubbelhartig, schijnheilig, onoprecht?

Hoe ontnuchterend is daarna het besef dat zo een oordeel over de ander vanzelfsprekend ook een oordeel is over jezelf. Oordeeel niet, opdat gij niet geoordeeld wordt. 2 Oordeel niet, omdat gij dan uzelf (ver)oordeelt kunnen we beter lezen. Hetzelfde zegt Paulus: Want waarin gij een ander oordeelt, veroordeelt gij uzelf. 3

Nolens beseft dat tegenstrijdigheden onmiskenbaar de bouwstoffen leveren waaruit hij, net als iedereen in wie hij ze veroordelen durft, zijn bestaan opbouwt. Ik ben mijn contradicties.

 

In zen gaat het vaak over je ware zelf, je oorspronkelijke gelaat. Daarmee wordt dan bedoeld je onvervreemdbare kern, waardoor je één wordt met het ene (het al, God, de Ene). Ontwaken betekent tot rust komen in die ervaring één te zijn. Die opheffing van alle dualisme lijkt als redenering logisch en eenvoudig, maar kan het ook niet zijn dat wat wij ons ware zelf noemen ook te maken heeft met onze onvervreemdbare verscheurdheid? En dat we precies tot rust kunnen komen door te aanvaarden dat die paradox, die contradictie er is? Onze identiteit blijft er toch altijd een van vergankelijkheid en verandering. Al die botsende tegenstellingen op onze weg vormen tenslotte het ene pad, dat wezenlijk het onze is. Nolens volens zien we dat vroeg of laat onder ogen.

 

Al onze vragen zijn even zovele knelpunten, ze houden ons gevangen, beklemmen ons. Maar de bevrijdende paradox voegt daaraan toe dat knellende en kwellende kwesties ook brandpunt kunnen worden. Alle pijnlijke vragen die bij ons naar binnen tuimelen, worden in één brandpunt gebundeld en gebroken om des te helderder op de spiegel van ons ware zelf terecht te komen. Onze brandpuntsafstand verandert voortdurend, met onze kijk op het leven. Daardoor worden we gedwongen onze hoop op definitieve antwoorden te laten varen. Dat klinkt een beetje triest en uitzichtloos. Zo is het echter niet. Want net doordat we ons gaandeweg gaan bedienen van andere lenzen en dito brandpuntsafstanden leren we des te scherper naar onszelf en het leven te kijken. De gebreken van onze tragische hardnekkigheid om tegen alles in zekerheid te eisen, blijken plots omgesmeed tot gloednieuwe wapens. Wapens tegen het grote gelijk, de ultieme keuze, het ware onwankelbare weten van de volwassene. Die we altijd al zo graag hadden willen zijn, maar die we in feite niet kunnen uitstaan.

 

_____________

1 Nolens, L. (2009). Dagboek van een dichter. 1979-2007. Amsterdam: Querido. (p. 30)

Het fragment dateert van 18 januari 1980.

2 Mattheus 7: 1

In de Willibrordvertaling van 1995 staat: Werp je niet op als rechter, opdat je niet onder het oordeel valt.

3 Romeinen 2: 1