O Gij, alles voorbij, hoe U anders noemen?

Hoe kunnen woorden U prijzen:

Gij, die door geen woord te zeggen zijt.

Hoe kunnen gedachten U bereiken,

Gij, die door geen denken te grijpen zijt.

Gij, Enige, Onuitsprekelijke:

al wat gezegd wordt komt van U.

Gij, Enige, Onkenbare:

al wat gekend wordt komt van U.

Al wat spreekt en al wat niet spreekt prijst U.

Al wat denkt en al wat niet denkt eert U.

Hunkeringen overal, barensweeën overal,

alles reikhalst naar U,

alles bidt tot U,

terwijl al wat uw geheim doorgrondt,

een lied vol stilte zingt.

 

Je kunt zen trachten te doorgronden vanuit zen, dat ligt voor de hand.  Soms is dat te gemakkelijk, je blijft het dan in je vertrouwde kringetje zoeken.  Het wordt pas echt mooi als je de zengeschriften verlaat en op zoek gaat naar zenwijsheden die je uit onverdachte hoek komen aanwaaien.  Rilke, Kafka, Vasalis, Andreus, ik heb ze al eens laten opdraven om hun onbezoedeld licht te laten schijnen op de Wijsheid voorbij alle wijsheid.

In een onlangs verschenen boek van Jeroen Witkam1 staat de prachtige Hymne aan God van Gregorius van Nianze (4e eeuw). Hoezo God? God bestaat toch niet?  Het boeddhisme kent toch geen God? Hoe kun je hem dan lof toezwaaien?  Hoe kun je hem überhaupt toespreken, als hij niet eens bestaat? Daar heeft de religie iets op gevonden: poëzie, literatuur, symboliek, ritueel, kunst… Alle drukken zij het verlangen uit naar wat-we-nu-maar-gemakshalve-god-zullen-noemen. God is een containerbegrip, waarin we alles proppen waarmee we vertwijfeld geen raad weten: onze angsten, onze wanhoop, ons verlangen naar onschuld, vrede, eenheid, rechtvaardigheid. Vanuit een nostalgie paradisiaque. We zijn voorgoed verdreven uit het paradijs en in een verbrokkeld bestaan geworpen. Zelf brengen we er niet veel van terecht om de verloren eenheid te herstellen. Alleen kunnen we het niet en daarom, omdat we zo genadeloos aan onszelf zijn overgeleverd, gaan we kapot aan verlangen naar Iets/Iemand, die alles voor ons ten goede keert. 

Hunkeringen overal, barensweeën overal,

alles reikhalst naar U,

alles bidt tot U.

Ons leven, ons lijden is één langgerekte hunkering. Alles wat wij voortbrengen gaat gepaard met pijn, omdat wij van minuut tot minuut ervaren dat wij slechts kunnen reikhalzen, de hals slechts pijnlijk kunnen rekken naar het onbereikbare.  Dat Onbereikbare, Oneindige noemt Gregorius U, God.  Zen noemt het Leegte.

O Gij, alles voorbij, hoe U anders noemen?

We hebben niets anders dan wat schamele woorden om U te noemen.  Geen enkele naam, geen enkel woord zal ooit de lading dekken.  Wat we in woorden trachten te vatten, ontglipt ons omdat de Ene aan alles voorbij is.  God, dat is het Jenseits: aan de overkant, voorbij alle denken, voorbij alle doen.  Jenseits von Gut und Böse, zei Nietzsche: voorbij alle onderscheid tussen goed en kwaad, voorbij iedere conventionele, menselijke moraal. Jenseits dat is ook: aan de overkant aangekomen, voorbij gegaan, helemaal voorbijgegaan, en zelfs voorbijgegaan aan het voorbijgaan.2 Jenseits, dat is de andere oever bereiken, dat is sterven aan het kleine ik en door de donkere nacht heengaan, om ten slotte te ontwaken in de Leegte. Noem dat maar allemaal God.

 

Ongrijpbaar, onzegbaar, onkenbaar.  En toch:

al wat gezegd wordt komt van U.

al wat gekend wordt komt van U.

Al wat spreekt en al wat niet spreekt prijst U.

Al wat denkt en al wat niet denkt eert U.

 

Alle spreken, alle zwijgen, alle denken, alle niet-denken vindt zijn oorsprong in U, Oneindige Leegte. Een Leegte waardoor alle dingen zijn. De oude Chinese taoïstische meesters noemden het qi:

 

Maar qi is leeg en laat daardoor alle dingen zijn.

Dao concentreert zich alleen daar waar leegte is.  

Leeg zijn, dat is waar het vasten van het hart op neerkomt.3

 

Vasten van het hart betekent dat je je hart ontvankelijk, leeg maakt voor de scheppende kracht van de Leegte. Roemi, de grote soefidichter uit de 13e eeuw, noemt de Leegte in zijn Masnavî het niet-bestaan:

 

Het niet-bestaan is dus Gods fabriek, 

vanwaar Hij ons voortdurend geschenken aanreikt.

Hij doet ons wat niet bestaat voorkomen

alsof het wel bestond

en verleent het een prachtig aanschijn,

terwijl Hij het ons doet voorkomen

alsof wat werkelijk bestaat niet bestond.

Hij verborg de Zee, maar maakte het schuim zichtbaar,

Hij verborg de Wind, maar toonde het stof.4

 

Wat werkelijk bestaat, de Vorm, het schuim, bestaat in feite niet; het is leeg en vergankelijk. Wat niet bestaat, de Leegte, de Zee, is werkelijk, als bron en prachtig aanschijn van alles wat is. De enige manier om voeling te krijgen met die bron is de stilte in te gaan. Gregorius van Nianze bevestigt het, dat al wat uw geheim doorgrondt, een lied vol stilte zingt.

De stilte ingaan.  Niet uit angst voor de barre, boze wereld, niet om zich te onttrekken aan de werkelijkheid, maar om er met des te meer energie en vertrouwen naar terug te keren. We hebben de Vorm verlaten om de stille leegte in te gaan.  Nu is de tijd gekomen om de Vorm opnieuw tegemoet te gaan en hem met andere ogen te zien, als ruimte van oneindige mogelijkheden. Als ruimte ook van oneindig mededogen. Er is werk aan de winkel. Na de verlichting volgt de afwas.  Na het temmen van de os, moeten we terug naar de markt.  De kille nachtwind tegemoet, de zware weg naar de grote, duistere stad, waar de mensheid was en haar weedom. (…) op een sprookje zal het dan niet meer gelijken.5