Home » ZENTHEMA'S » Zenthema's 1 - 37 » 33 Zwijg, dreunende gong!

Bij Meester Zjwaan-tseng (ca. 1650 - ca. 1720) lezen we het volgende.  Ik kort de tekst (1) wat in.

 

Ik heb mensen getest door middel van twee dingen, en ik heb nooit iemand zien slagen.  Wat zijn die twee dingen?  Het ene is dat je hen test aan de hand van de geschriften […] uitspraken van de boeddha’s. […] Je geest is de boeddhageest.  Heb je die verwezenlijkt, dan kan het niet anders of je begrijpt de woorden van de boeddha’s. […]

 

Het tweede is het toetsen van de geest tijdens dagelijkse bezigheden en interacties.  Er schijnen mensen te zijn die tot op zekere hoogte als meesters fungeren en tot wie mensen hun toevlucht nemen, maar die niet echt verlicht zijn. […]

 

Als je vooralsnog niet rustig kunt zijn, ben je niet alleen niet in staat tot heldere en levendige interactie - zelfs wanneer je in rust verkeert met niets om handen ben je als versuft.  Vandaar dat er wordt gezegd: “ Het is voor een ander gemakkelijk om me zijn goedkeuring te geven, maar het is moeilijk om mezelf mijn goedkeuring te geven.

 

Wanneer mag je ervan uitgaan dat je te doen hebt met een betrouwbaar zenmens?  Volgens onze Meester hierboven bestaat daar een lakmoesproef voor. Een dubbeltest, waarvan hij meteen zegt dat niemand ervoor slaagt, hijzelf dus ook niet. 

 

Heb je de verlichting bereikt, dan heb je ook de woorden van de historische Boeddha en van de vele boeddha’s na hem begrepen en kun je er onderricht over geven.  Je bent dan een (zen-)meester. Welnu, er bestaan geen zenmeesters, want het gaat niet om be-grijpen, de essentie van zen leunt meer aan bij niet-begrijpen dan bij begrijpen.  Het (zen)boeddhisme gaat voorbij aan alle onderscheid tussen begrijpen en niet-begrijpen, staat los van alle concepten.  Het heeft meer te maken met wat onzegbaar en onuitsprekelijk is dan met wat via onderricht en leringen wordt doorgegeven.  De ware transmissie is die van het onuitgesproken mysterie, dat van hart tot hart wordt doorgegeven en bevrijdend werkt. Met kennen, weten en begrijpen heeft het niet veel van doen. Meesters die weten en begrijpen en dat ook nog zeggen te kunnen doorgeven zijn dus nep. Gebuisd.

 

Tweede test. Er schijnen mensen te zijn die tot op zekere hoogte als meesters fungeren en tot wie mensen hun toevlucht nemen, maar die niet echt verlicht zijn. Schijnen…, tot op zekere hoogte… Het klinkt niet echt geruststellend. 

 

Mensen hebben nu eenmaal behoefte aan Meesters, tot wie ze hun toevlucht kunnen nemen in de hoop te mogen delen in hun verlichting.  Helaas, weinigen van die zogenaamde Meesters zijn zelf verlicht!  Ze misleiden de zwakke goedgelovigen met geleerde of diepzinnige praatjes over de geschriften, spuiten wat mist in de hoofden van hun adepten en sturen ze naar huis vol verwarring en het gevoel dat ze er nooit iets van terecht zullen brengen. Ze vergeten daarbij dat ze zelf nog zoveel werk voor de boeg hebben, zolang ze hun zenverlichting niet vertalen kunnen of willen in heldere en levendige interactie. Zolang ze in het dagdagelijkse leven niet helder (kalm en evenwichtig) en levendig (leven wekkend) in relatie staan met hun medemens, blijft hun gedaas over “verlichting” als een dreunende gong of een schelle cimbaal. (1 Kor. 13; 1) (2). Hun uiterlijke rust blijft dan gecamoufleerde onrust.  Niets om handen hebben, voor je uit zitten staren op je kussentje in de zendo is nog geen garantie voor innerlijke rust, laat staan voor het vermogen die rust ook te delen in de heldere omgang met anderen. Nochtans, velen lopen in die val.  Velen zijn bereid zich te laten misleiden door het uiterlijk rustige vertoon van hun zenleraren of goeroes en hen hun goedkeuring te geven.

 

Iedere aspirant-zenleraar zou in de eerste plaats moeten beseffen dat hij zichzelf moet opheffen, relativeren, tussen haakjes plaatsen en aan zelfkritiek moet onderwerpen.  Hij mag de hemel dankbaar zijn dat het moeilijk is zichzelf zijn goedkeuring te geven als iemand die het voorrecht geniet te spreken over dat wat onzegbaar is. Tenzij in de woordeloze heldere en levendige interactie.

__________

(1) Cleary, Th. (1999). Zen-bronnen. Utrecht: Servire. (pp. 206-7)

(2) NBV Studiebijbel. (2008).  Heerenveen: Jongbloed.